Home Concordantie Bijbelboeken Thema's Artikelen Personen Groeperingen Zoeken
Vertaalprincipe
Statenvertaling
Naar de oorpronkelijke Nederduitsche uitgave onder toezicht van J.H. Donner en S.A. Van den Hoorn, Den Hertog B.V. / Houten 1987

Is wijders goed geacht, dat deze vertaling uit de fonteinen of oorspronkelijke talen der H. Schriftuur, de Hebreeuwsche en Grieksche, geschieden moet, nochtans zoo, dat men daartoe tot een behulp gebruike en vergelijke de beste vertalingen, uitleggingen en korte verklaringen, en ook het oordeel van geleerde mannen in de zwaarste plaatsten. Eindelijk is goedgevonden, deze navolgende regelen, den overzetters, die daartoe zullen geordineerd worden, voor te schrijven.
  1. Dat zij altijd bij den oorspronkelijken tekst zorgvuldiglijk blijven, en de manier van spreken der oorspronkelijke talen zoo veel de duidelijkheid en eigenschap der Nederlandsche spraken kan toelaten, behouden. Maar, indien ergens een Hebreeuwsche of Grieksche wijze van spreken voorviel, die harder ware, dan dat ze wel in den tekst gehouden zal kunnen worden, dat zij deze aan den kant naarstiglijk aanteekenen.
  2. Dat zij, om den zin van den tekst, die niet ten volle uitgedrukt is, te vervullen, zoo weinig woorden daarbij doen als mogelijk is, en deze in den tekst met eene andere letter, en tusschen haakjes besluiten, opdat ze van de woorden van den tekst mogen onderscheiden worden.
  3. Dat zij voor ieder boek en hoofdstuk een korten en duidelijken inhoud stellen, en alleszins aan den kant de gelijkluidende plaatsen der H. Schriftuur aanteekenen.
  4. Dat zij eenige korte verklaringen er bij voegen, waarmede reden gegeven wordt van de overzetting in de duistere plaatsen; maar de waarnemingen der leerpunten daar bij voegen, is geoordeeld noch noodig, noch raadzaam te zijn.” De vertalers moesten dus aangeven waarom ze bij moeilijke teksten voor een bepaalde vertaling hadden gekozen. Het toevoegen van opmerkingen met betrekking tot de leer werd niet nodig en ook niet raadzaam geacht.