|
9. Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads.
|
|
9. Wee hem die onrechtmatig gewin bijeenbrengt voor zijn huis, om zijn nest te maken in de hoogte, ten einde zich te redden uit de greep van het onheil!
|
|
9. ‘Wee hem die woekerwinsten maakt ten bate van zijn huis, zijn nest in de hoogte bouwt, om zo uit de greep van het onheil te blijven.’
|
|
9. Wee hem
die op kwalijke winst aast
voor zijn huis,-
om zijn nest in de hoogte te bouwen
en zich zo te redden
uit de greep van kwaad!
|