Home Concordantie Bijbelboeken Thema's Artikelen Personen Groeperingen Zoeken
Tekstgedeelte : Daniël 1:1-21
Daniël aan het Babylonische hof
Daniël 1:10
Statenvertaling
 
Bijbelvertaling 1951
 
Nieuwe Bijbelvertaling
 
Naardense Bijbel
10.  Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.
 
10. doch de overste der hovelingen zeide tot Daniël: Ik vrees, dat mijn heer, de koning, die uw spijs en drank vastgesteld heeft, uw uiterlijk misschien minder welvarend zou vinden dan dat van de overige knapen van uw leeftijd, en dat gij daardoor mijn hoofd met schuld zoudt beladen bij de koning.
 
10. Toch zei de hoofdeunuch tegen hem: ‘Ik ben bang voor mijn heer, de koning; hij heeft bepaald wat jullie zullen eten en drinken, en als hij vindt dat jullie er slechter uitzien dan jullie leeftijdsgenoten zal hij mij daarvoor verantwoordelijk stellen.’
 
10. maar de vorst der hovelingen zegt tot Daniël: ik vrees wel mijn heer, de koning, die beschikt heeft wat ge moet eten en drinken,- dat gij, wanneer hij ziet dat uw gelaten magerder zijn dan van de andere welgeborenen van uw lichting, bij de koning schuld over mijn hoofd brengt.
Kijk hier voor de volledige tekst van 'Daniël 1' in de Statenvertaling, Vertaling van 1951 en Nieuwe Bijbelvertaling. De volledige tekst van dit hoofdstuk in de Naardense Bijbelvertaling vindt u hier.
Kanttekeningen bij de statenvertaling
Ik vreze mijn heer,
Hij geeft hier te kennen dat hij Daniël en zijnen metgezellen wel zou toelaten hetgeen zij van hem begeerden, tenware dat hij gevreesd had in gevaar van zijn leven te komen, indien de koning gemerkt had dat hunne gestalte ware vervallen, en dat hij de oorzaak daarvan zou onderzocht hebben.
want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien,
Alsof hij zeide: Waarom zou ik de oorzaak daarvan zijn, dat de koning zou zien dat uwe aangezichten droeviger, jammerlijker, mismaakter, ontstelder, magerder of treuriger zouden zijn? Vergelijk Gen. 40:6, en de aantekening aldaar.
die in gelijkheid met ulieden zijn?
Te weten van drie jaren, dat is, die ook, gelijk gijlieden, drie jaren lang aldus moeten opgeleid worden. Anderen verstaan het aldus: Die ulieden in ouderdom gelijk zijn. Hebreeuws, naar uwe gelijkheid, of naar uwe blijdschap, hetwelk zou zijn, die blijde van gelaat zijn, gelijk gij nu zijt en niet droevig.
Alzo zoudt gij
De zin is: Dusdoende zoudt gijlieden maken dat ik van den koning aan het leven zou gestraft worden; anders, wil hij zeggen, zou ik gaarne ulieden uwe begeerte toelaten.
mijn hoofd bij den koning
Dat is, mijn leven.
schuldig maken.
Hebreeuws, verschulden; dat is, mijn leven in gevaar brengen.
 
Daniël
1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12
Inleiding NBV op 'Daniël'
Het boek Daniël ontleent zijn naam aan de hoofdpersoon, Daniël. Mogelijk gaat deze naam terug op een overlevering die in Ezechiël 14:14 en 20 als...