|
Kanttekeningen bij de statenvertaling
Om
Dat zijn de woorden van de profeet Jesaja, zo in zijn naam als in dien van andere profeten en dienaren Gods.
Sions wil
Dat is, der kerk, of van het volk Gods, straks Jeruzalem genoemd; een voorbeeld der kerk van het Nieuwe Testament; Hebr. 12:22; Openb. 14:1, en Openb. 21:2.
niet zwijgen,
Dat is, ik zal niet ophouden de troostelijke beloftenissen, die God mij geopenbaard heeft van zijne kerk te verkondigen; zie Ps. 122:6, en 2 Tim. 4:2.
niet stil zijn;
Of, niet rusten.
haar gerechtigheid
Te weten van de stad Jeruzalem, dat is, van de kerk. De zin is, totdat Christus, die onze gerechtigheid en Heiland is, aan de wereld geopenbaard worde.
voortkome
Of, opga. Hebreeuws, uitga; te weten gelijk de zon uit hare kamer gaat; zie Ps. 10:6.
|
Jesaja
1,
2,
3,
4,
5,
6,
7,
8,
9,
10,
11,
12,
13,
14,
15,
16,
17,
18,
19,
20,
21,
22,
23,
24,
25,
26,
27,
28,
29,
30,
31,
32,
33,
34,
35,
36,
37,
38,
39,
40,
41,
42,
43,
44,
45,
46,
47,
48,
49,
50,
51,
52,
53,
54,
55,
56,
57,
58,
59,
60,
61,
62,
63,
64,
65,
66
Inleiding NBV op 'Jesaja'
Het boek Jesaja ontleent zijn naam aan een profeet, Jesaja, de zoon van Amos, die in Jeruzalem leefde en als profeet optrad in de periode 750-700...
|