|
Kanttekeningen bij de statenvertaling
beginne
Van den tijd der schepping aller creaturen, die door de schepping in het wezen gekomen zijn; dewijl zij tevoren niet geweest waren, maar God alleen, die zonder begin is, Ps. 90:2; Spreuk. 8:22,23; Col. 1:17. Verg. dit met Joh. 1:1.
schiep
Scheppen, is in dit hoofdstuk en elders te zeggen, iets voortreffelijks te maken, hetwelk tevoren niet was, hetzij uit niet, vs. 1, of uit wat anders, dat uit niet geschapen was, als vs. 21,27. Van het Hebr.woord Elohim, dat is God, zie hoofdstuk Gen. 20:13.
hemel
Door hemel, of (hemelen) [zijnde dit woord bij de Hebreën in het getal van één niet gebruikelijk] en aarde, mag men in dit eerste vers verstaan òf den hemel en de aarde, zoals ze op den eersten dag zijn geschapen, òf de ganse wereld, met alle hemelse en aardse schepselen daaronder begrepen. Verg. Gen. 2:1.
|
Genesis
1,
2,
3,
4,
5,
6,
7,
8,
9,
10,
11,
12,
13,
14,
15,
16,
17,
18,
19,
20,
21,
22,
23,
24,
25,
26,
27,
28,
29,
30,
31,
32,
33,
34,
35,
36,
37,
38,
39,
40,
41,
42,
43,
44,
45,
46,
47,
48,
49,
50
Inleiding NBV op 'Genesis'
Het boek Genesis dankt zijn naam aan de Septuaginta, de oudste Griekse bijbelvertaling. Het Griekse woord genesis betekent ‘ontstaan’, ‘oorsprong’,...
|